Gunfactor in Boekenland

Voor ondernemers is de gunfactor een belangrijk begrip. Het is iets ongrijpbaars, maar toch kan het je bedrijf maken of breken. Wordt het succes je gegund, of niet? Je kunt de gunfactor vergroten door goed te luisteren naar je klant. Door iets voor hem te doen. En door vooral jezelf te blijven, authenticiteit is belangrijk om geloofwaardig te zijn. Maar hoe zit dat eigenlijk bij schrijvers?

Schrijvers zijn steeds meer ondernemers geworden. We runnen een bedrijf en leveren een product af, waarbij de lezers onze belangrijkste klanten zijn. Steeds meer schrijvers zijn op de sociale media te vinden. Sommige in volle overtuiging, andere ‘omdat het moet’. Zijn we op zoek naar die ongrijpbare gunfactor? Een enkeling blijft zich verzetten en sluit zich op in zijn werkkamer om dat Meesterwerk te creëren. Zelf vind ik het prettig om in contact te staan met mensen. En om van lezers te horen hoe een verhaal  is overgekomen. Daarom heb ik ruim drie jaar geleden een ambassadeursgroep opgezet. ‘Als je kunt delen, kun je vermenigvuldigen’, is hierbij mijn motto. Het is een groep enthousiaste lezers die hun ervaringen over mijn boeken met anderen delen. En ik deel mijn schrijfervaringen, mijn luisterend oor en mijn schrijfkennis met hen.

Mijn lezers leren me zo echt kennen, zien mijn drijfveren bij het schrijven, en vertrouwen me veel toe. Soms mailen ze welke verschrikkelijke dingen ze in hun leven hebben meegemaakt. Ze zijn blij dat ik luister naar hun verhalen. ‘Kun je daarover schrijven?’ wordt er dan gevraagd. Mijn boek ‘Vals Alarm’ is op deze manier ontstaan, en is dus gebaseerd op waargebeurde feiten. Ook ‘Moederziel’ is door contact met een van mijn ambassadeurs uitgediept.

Mijn nieuwe boek ‘Ik volg je’ gaat over stalken. En ook dit boek is gebaseerd op waargebeurde ervaringen van slachtoffers die hun verhaal met mij delen. Ze zitten zelf nog diep in de ellende en het helpt dat ze hun verhaal kunnen doen. Dat er iemand luistert. Ze vinden het fijn dat hun leed niet verborgen blijft, maar dat het verteld wordt. En opgeschreven, zodat anderen kunnen lezen wat er zomaar mis kan gaan in een leven. Ik hoop dat ik hen met mijn woorden kan helpen, want ik gun ze een mooier leven. En dan is er ineens niets meer ongrijpbaar aan die gunfactor.

 

Deze column schreef ik voor Azra

Met de billen bloot

Bang aangelegd ben ik niet. Ik schrijf graag over gevaarlijke mensen, spannende gebeurtenissen en enge ervaringen. Is er dan niets wat ik eng vind? Natuurlijk wel: opgesloten zitten. Het idee dat ik ergens vast zit, het gevoel dat ik niet zelf kan beslissen of ik weg kan, benauwt me. Ik zie graag licht en ruimte om me heen. Natuurlijk gebruik ik deze angst bij mijn schrijfwerk. Niet alleen in hoe ik woorden en zinnen aan elkaar puzzel, maar vooral ook bij hoe ik me als schrijver opstel.

De meeste mensen zien bij het woord ‘schrijver’ een stereotiep figuur voor zich: een warrige grijsaard die als kluizenaar opgesloten zit in zijn zolderkamer. Liefst ook nog worstelend achter een typemachine. Nou heb ik geen zolderkamer, dat scheelt. Maar daarnaast zou het me vreselijk benauwen. Hoe kun je schrijven over mensen als je van de buitenwereld afgesloten bent? Als je geen contact hebt? Mijn inspiratie zou spontaan opdrogen. Ik ben een mensenmens, sta graag in contact met mijn lezers, en ik besteed daar dan ook veel tijd aan. Graag zelfs.

Mijn creatieve brein – waar ik zelf soms erg moe van word – heeft weer iets nieuws bedacht. Want zelfs in mijn eentje schrijven aan een boek wilde ik eens anders aanpakken. En dus schrijf ik nu een interactieve thriller. Kijk, en dat is ineens doodeng. Want hoe moet dat als ik vastloop? Geef ik niet teveel spoilers weg? Verliezen mijn lezers de interesse niet bij een dusdanig lang traject? Eng dus.

Nou hou ik wel van een uitdaging en dus ga ik met de billen bloot. Ik post regelmatig polls waarin iedereen kan stemmen op een naam van een personage of de locatie waar het verhaal zich afspeelt. En ik stel vragen die allemaal een relatie hebben met mijn thriller. Wat zou jij doen als je na een etentje bij een vriend opgesloten blijkt te zijn in zijn huis? Dat soort vragen. In het begin hebben de lezers en ik elkaar wat aarzelend afgetast, maar nu loopt het als een trein. Er worden veel reacties geplaatst, waar ik inspiratie uithaal.

Toch is het een van de engste dingen om te ondernemen als schrijver, omdat publiekelijk op je bek gaan niet echt fijn is. Maar, zoals gezegd, gelukkig ben ik niet bang aangelegd. En die blote billen? Ach, die zijn sinds de 50 grijze tinten helemaal hot.

 

Op Eigen Kracht

Wat doe je als de problemen te groot worden? Als je niet weet hoe je verder moet? Dat er geen gat meer in die donkere wolk te vinden is. Kom je er dan nog op eigen kracht uit?

Sinds ik verhalen schrijf over misstanden, word ik regelmatig benaderd door mensen die zwaar in de problemen zitten. Een mail met een verhaal waar ik kippenvel van krijg. Een verleden wat diepe littekens heeft achtergelaten. En soms zitten ze nog middenin de ellende. Een schreeuw om hulp. Om aandacht. Of juist om lucht te vinden. En op dit soort momenten komt alles wat ik voel tijdens het schrijven van mijn boeken heel dichtbij. De woede, de verontwaardiging en het verdriet om een onvoorstelbaar leed. Maar hoe kan ik hen helpen?

Hun enige vraag is: zou je over dit probleem een boek kunnen schrijven, Marelle? Maar ik krijg te veel van dergelijke verzoeken. Ik blijf het bijzonder vinden dat deze vrouwen me in vertrouwen nemen. En natuurlijk wil ik helpen. De meeste mensen vinden het dan ook makkelijker om hulp te géven dan om het te vrágen. Dat bleek ook na het verschijnen van mijn boek over mantelzorg. Veel mensen nemen met liefde de zorg voor anderen op zich. Maar zelf om hulp vragen? Dat blijkt een taboe.

Regelmatig kom ik door mijn schrijfwerk prachtige initiatieven tegen. Zo bestaat er een organisatie die de ‘Eigen Kracht Centrale’ heet. Zij pakken problemen op een eigen manier aan. Ze organiseren besprekingen met familie en bekenden van de betreffende persoon om een toekomstplan te maken. Bij iedereen blijkt wel een sociaal vangnet aanwezig dat door deze groep geactiveerd wordt. Ze walsen vooral de hulpvraag- drempel plat. En dus ondersteun ik deze Eigen Kracht organisatie. Zij kunnen het leven weer lichter maken tot iemand het weer op eigen kracht aankan. Hoe mooi is dat?

 

Later als ik ziek ben

4 okt 2012
Iedereen is bezorgd over de zorg. Sommigen maken zich zelfs met recht kwaad op de steeds hogere kosten. Slechts een enkeling haalt haar schouders op. ‘Stress is ongezond’, zeggen die.

Na mijn vorige column regent het reacties, de één nog heftiger dan de ander. Chronisch zieke mensen worden dubbel gepakt. Het eigen risico wordt bijna verdubbeld, en van de kortingsactie van Menzis kunnen zieken geen gebruik maken. Deze mensen hebben vaak dure medicijnen zodat hun eigen risico – wie heeft die term bedacht? – al in januari volledig verbruikt is. Ze krijgen te maken met allerlei eigen bijdrages voor medicijnen of behandelingen. En soms zijn er wel medicijnen maar krijg je ze niet. Is dat eerlijk?

Gezond leven is geen garantie voor niet ziek worden. Als je pech hebt, krijg je – als een soort secondaire levensvoorwaarde – een chronische ziekte in je maag gesplitst. Soms zelfs op zeer jonge leeftijd. Doe het er maar mee. O ja, en betaal je dan ook die dure rekening nog even. Is het de bedoeling dat deze mensen zich schuldig moeten gaan voelen als ze ziek worden? Sorry, dat ik zoveel geld kost? En wat doe je dan met sporters die een blessure oplopen? Krijgen die hun zorg gratis? Het lijkt erop dat ik nu al moet gaan sparen voor later, als ik ziek ben.

Laten we eens gaan omdenken om dit probleem te lijf te gaan. Gezond is fijn, ziek is akelig. Betalen is akelig, besparen is fijn. Koppel nu eens de goede dingen aan elkaar, hoe logisch is het dan om te betalen als je ziek bent? Laten we voortaan dus betalen als we gezond mogen blijven, zodat de zieke mensen vrijgesteld worden van de hoge zorgkosten. Ik zou er heel wat geld voor over hebben om gezond te kunnen blijven, want als je ziek bent betaal je al een hoge rekening.

Fluitend schrijven

Columns en blogs schrijven zie ik als oefeningen. In 300 woorden een ontmoeting beschrijven. Of een verontwaardiging. Een situatie die opvallend genoemd kan worden, of die me juist opvalt omdat ik erover wil schrijven. Dat is het. Het zijn de gewone dingen, die je als schrijver mooier kunt maken. Een stukje fictie integreren, of de spotlight op iets kleins zetten. Zoiets.

Martin Bril was daar een ster in. Jaloersmakend goed. Op een bijzondere manier schreef hij over normale zaken. Hij liet ze opvallen, zodat ik de volgende keer dacht: ‘O ja.’ Ooit las ik in een interview – ik dacht in de Volkskrant – dat hij adviseerde om fluitend te schrijven. Dat heb ik in mijn oren geknoopt. Worstelen met woorden geeft geen vloeiende zinnen. Maar als je fluit… en schrijft… dan creeer je een mooie wereld.

Ik bedenk, dus het ontstaat

Een gouwe ouwe: febr 2010

Er zijn voelers, doeners en denkers. Ik behoor duidelijk tot de laatste categorie. Ik denk altijd. Soms wel eens te veel, soms te ver vooruit. Dat gebeurt gewoon en het is moeilijk dat denkproces te stoppen.

Hoe zit dat nu bij het schrijven? Vanaf het moment dat ik met mijn eerste boek begon, duiken er voortdurend thema’s in mijn hoofd op. Ik vind dat fantastisch. Ik heb ‘inspiratie’, zoals dat in schrijverstermen heet. Daarna begint bij mij een heel denkproces. Ik creëer verhaallijnen, personages worden geboren en ik voorzie allerlei spannende ontwikkelingen. Het nadenken over het plot blijft doorgaan tot de laatste zin is geschreven. Dus ik ben ook als schrijver een typische denker. Tenminste, dat dacht ik altijd.

Vlak voor het verschijnen van mijn thriller ‘Stil water’, een boek over de absurd hoge bonussen van topmanagers, gebeurt er iets opmerkelijks. Het verhaal draait om Rona, een vrouw bij wie een hersenbeschadiging wordt geconstateerd. Ik beschrijf wat dit voor impact heeft op haar leven. Op het moment dat ik de drukproeven moet doornemen, krijg ik het ontstellende bericht dat mijn zusje ziek is: ze heeft een hersentumor. De manier waarop ze met deze ziekte omgaat heeft beangstigend veel weg van Rona’s ervaringen. Ik merk dat mijn fantasiewereld zich vlecht in mijn persoonlijke leven. Ik durf niemand over deze bijna profetische waarnemingen te vertellen. Mijn leven staat al op losse schroeven en ik wil mijn controle niet nog meer kwijt raken. Maar er gebeurt nog meer. In de maand waarin ‘Stil water’ verschijnt, komt een topambtenaar in opspraak vanwege de gigantische bonus die hij opstrijkt. Zijn naam: M. Boersma, topmanager bij Essent. Bovendien spoelen er die zomer ook nog onverklaarbaar veel bruinvissen aan. Dit moet toch toeval zijn? Dan lees ik de recensie van Eric Herni, die het heeft over het ‘soms akelig actuele verhaal’. Hij heeft geen idee…

Als denker moet je soms zaken even parkeren. Maar in de jaren erna blijven nieuwe thema’s in mijn hoofd opduiken, die – een jaar na het opschrijven – weer blijken uit te komen. Het is verbijsterend. Zeker als in recensies woorden worden gebruikt als
– ‘zeer actuele thriller’
– ‘Boersma’s Complex zit de tijdgeest ongemakkelijk dicht op de huid…’
– ‘De schrijfster… ziet die (vraag) in de realiteit van alledag beantwoord worden.’
Wat is er aan de hand? Ik wil niet dat mijn verhalen uitkomen.

Maar ook een volgend boek zorgt weer voor parallellen met het feitelijke leven. Een reactie van een lezer: ‘Je loopt voor op de actualiteit. Best eng: wordt fictie werkelijkheid?’
Ik kan er bijna niet meer omheen dat ik méér heb dan slechts wat inspiratie. Natuurlijk wenst geen enkele vezel in mijn lijf dat een atleet door een speer getroffen werd, of dat een bekende topsporter op doping werd betrapt. Gelukkig is Simon Vroemen nu vrijgesproken, want het was net alsof ik hem op een of andere manier in mijn thriller had getrokken. Maar het blijft me intrigeren. Is het wel allemaal toeval?

Nu mijn nieuwe thriller ‘de Babymakelaar’ op het punt staat geboren te worden, vraag ik me af wat er gaat gebeuren. Ik wil niet dat onschuldige vrouwen de dood ingejaagd worden, dat mensen misleid worden en dat baby’s …
Ho, wacht even. Ik denk niet na! Natuurlijk kan dit allemaal gebeuren, maar het komt toch niet door mij? Of wel? Is het dan toch: ik bedenk, dus het ontstaat?

Ik wil hier niet meer over nadenken. Sommige dingen moet je accepteren in je leven. Een plaats geven die goed voelt. Ik besef dat mijn inspiratie gevoed wordt door mijn intuïtie. Daar kan ik als schrijver gebruik van maken. Ik kan thema’s aansnijden die verband houden met toekomstige ontwikkelingen, want dat heb ik tot nu toe elke keer gedaan. Ik bepaal toch niet wat er gaat gebeuren? Het is hooguit een soort voorvoelendheid van dingen die komen gaan.
Voelers, doeners en denkers. Ik moet hier nog even over nadenken, want, ben ik eigenlijk wel een denker? Het lijkt erop dat ik misschien toch meer een voeler ben, of zelfs een voorvoeler. Of denk ik dat nu alleen maar?

Nawoord: Nog geen jaar later in de krant: ‘Babyfabriek opgerold in Nigeria…’ Tja…

Het nieuwe schrijven

5 okt 2012
Ik ben een vreemde schrijver. Geen opgesloten kluizenaar, die in afzondering aan dat grote meesterwerk schrijft, zodat er Literatuur ontstaat, met de hoofdletter ‘L’. Ik heb juist betrokkenheid nodig, en mensen om me heen.

In allerlei interviews lees ik dat schrijvers zich het liefst afsluiten. Er is afzondering nodig op een zolderkamer, een vakantiehuis in the middle of nowhere of in een werkkamer met verschillende bureau’s. Dat klinkt goed. Interessant zelfs. Hoe kun je anders inspiratie vinden? Zeggen ze. Ik werk dus heel anders. Ik schrijf al jaren, mijn zevende boek verschijnt binnenkort. En mijn eerste boeken schreef ik terwijl mijn kinderen achter me in de kamer speelden. Nu die de deur uit zijn kan ik me compleet afsluiten van de wereld, maar dat wil ik niet. Ik wil juist contact. En dus vind ik mezelf vreemd. Ik ben geen schrijver met een hoofdletter ‘ S’ en ik ben vast niet interessant.

Maar nu mijn boeken steeds gretiger gelezen worden en de sterren in mooie vijftallen in mijn richting worden gestuurd, realiseer ik me dat ik vooral een ander type schrijver ben. Ik richt me op de mensen om me heen. Daar gebeurt het. Dat is het leven dat ik wil beschrijven. En tijdens mijn schrijfproces sta ik open voor alles wat met mijn boek te maken heeft. Als ik luister naar gesprekken leef ik op door nieuwe invallen. Overal zie ik associaties. Mensen zijn zo boeiend, dus ik kán en wíl niet anders dan betrokken worden bij hun leven. Ik noem het maar ‘het nieuwe schrijven’.

Het nieuwe schrijven is lekker open. Het past zo goed bij ‘de nieuwe wereld’ en ‘het nieuwe werken’. Minder individualistisch, meer op samenwerken gericht, en op het delen van kennis en informatie. Ik sluit me niet af van mensen, ik zoek ze juist op en wil contact. Het is een way of life geworden. Vandaar ook de onderwerpen van mijn boeken: De zwakkeren tegenover de hoge managers met hun vette bonussen; de ‘make over’- televisieprogramma’s die de maakbare schoonheid propageren, en de Jeugdzorg die slachtoffers maakt door onzorgvuldig werken. Mensen boeien me, en ze raken me.

Ik voel me lekker bij dit nieuwe schrijven. Als ik me af zou sluiten, zou mijn inspiratie opdrogen. En ikzelf als mens ook. Ik leef naar buiten toe, sta open voor contact, geniet van de groep ambassadeurs om me heen, van berichtjes via Facebook, houd Twitter in de peiling en geef graag workshops om mijn kennis te delen. En sinds deze zomer heb ik weer iets nieuws bedacht: The making of… een nieuwe thriller Deze nieuwe blogsite is een echte uitdaging om mijn innerlijke proces naar buiten te brengen zonder spoilers weg te geven. Het kan het contact met mijn lezers verstevigen. En het werkt nu al. ‘Zo gaat een boek nog meer voor me leven en ervaar ik het nog intenser’,  reageert Diane via Facebook. De betrokkenheid wordt vergroot, en ik kan prettiger werken. Op mijn nieuwe manier.

Boek zonder titel

28 juni 2102
Ik heb een probleem. Mijn nieuwe boek is al bijna af, maar over de titel pieker ik me suf. Niets lijkt goed te passen bij dit verhaal. Maar een boek zonder titel? Dat is onmogelijk.

Er heerst een soort bijgeloof onder schrijvers: noem nog geen titel voordat het boek geschreven en geaccepteerd is. Nou ben ik niet zo bijgelovig, maar bij mijn boeken ben ik wel voorzichtig. Op zich zou ik de titel van mijn zevende boek wel willen noemen, maar dat kan ik niet. Ik weet namelijk geen titel. Ja, dat klinkt misschien vreemd, maar echt, dit keer is de titel een probleem. Een goede titel is belangrijk, het vormt de ziel van het boek. Een titel moet prikkelen. En de lezer nieuwsgierig maken.

Normaal heb ik een werktitel die ik alleen maar aan een paar goede vrienden vertel. En aan de uitgeefster natuurlijk. Verder niemand. Net als bij de geboorte van een kind, hou ik die lekker voor mezelf. Het schrijft fijn als er een werktitel is. De titel ‘De Babymakelaar’ was zelfs al geboren voordat ik een woord geschreven had. Ik wist het thema, en de grote lijnen van mijn verhaal. Klaar. Bij ‘Vals Alarm’ was het ook al heel snel duidelijk. Maar dit keer is het dus totaal anders. Mijn boek is bijna af, maar mijn kind heeft nog geen naam. In de afgelopen maanden heb ik het liefkozend boek 7 genoemd, maar daarmee kan ik natuurlijk niet aan te komen.

Nu begint de tijd te dringen. Er moet een titel komen. En dus heb ik samen met mijn maatje uren gepiekerd, alle mogelijke verbasteringen van het hoofdthema gemaakt, metaforen bedacht en woordspelingen geconstrueerd, woorden geplakt, doormidden gesneden of verminkt, maar een ijzersterke titel bleef onvindbaar. We werden flauw en nog flauwer. Soms nodig voor een goed creatief proces, maar niets hielp. Het bleef een boek zonder titel. Tot eindelijk… ik geef het toe, ik heb hem niet zelf bedacht, maar deze titel is goed. En hij wordt steeds beter. En ’s avonds wisten we: dit is ’m. Boek 7 heeft een echte naam gekregen. Een prachtnaam zelfs. Eentje met een mooie dubbele betekenis. Al een beetje nieuwsgierig?

Slechts zes woorden

april 2012
Er zijn heel veel mensen bezig met schrijven. Vaak ergens op een zolderkamer, zonder dat iemand het weet. Anderen bazuinen het rond alsof de uitgevers al in de rij staan. Het maakt niet uit. Schrijven is leuk! Maar hoeveel woorden heb je nodig om een verhaal te vertellen?

Regelmatig duiken de six word stories op. Vooral op twitter. In zes woorden een compleet verhaal vertellen lijkt onmogelijk. Dat is het natuurlijk ook. Maar de verbeelding prikkelen kan wel. Wat dacht je van: ‘Ik vond je vorige vrijgezellenfeest leuker’? Er wordt meer verteld dan ik in feite lees. Of deze: ‘Te koop: babyschoentjes. Nog nooit gedragen’. Het zijn woorden die van alles in me oproepen. Kijk, en dat is nou net de bedoeling van schrijven. Het maakt niet uit of het een compleet boek, een kort verhaal of een six word story is. Woorden verzinnen die beelden oproepen, daar gaat het om. Het is een kunst om zoveel te schrappen dat de lezer de ruimte krijgt om dingen in te vullen. Niet makkelijk.

Alles moet kort en snel. Niemand heeft tijd. Daarom zijn de six word stories zo leuk om te lezen. En om te schrijven. Het is een goede vingeroefening voor het grotere werk. Iedereen kan meedoen, want zes woorden zijn zo geschreven. Geen RSI-risico. Geen writersblock overwinnen. Geen zolderkamertje. En geen uitgever. Maar wel veel lezers! Dus wil je even een schrijfsprintje inlassen, schrijf dan slechts zes woorden. Weet je ook een leuke? Ik ben heel benieuwd!

stopwoordjes

april 2012
Een interview met een politicus, het praatje met de tuinman, kleppen met de buurvrouw, een vergadering met collega’s. Elk gesprek bevat stopwoordjes. Het is een leuke bezigheid om er op te letten. Zeker als het een saai gesprek of eindeloze vergadering is.

Er zijn een paar favorieten. Met stip op één staat ‘zeg maar’. Het is al een oude, die blijft hangen als ‘soort van’ – ja, nog zo één – hype. Daarnaast veelgebruikt: ‘super’. Ik gebruik dit supervaak om superleuke dingen aan te duiden. En om maar even bij mezelf te blijven, ik schijn ook vaak het woord ‘maar’ te gebruiken. Iemand noemde me een typisch wik-en-weeg-persoon. Ik beweer iets en ontkracht het meteen door het woord ‘maar’. Of, zoals ik het zelf uitleg: ik laat graag twee kanten van de zaak zien. Nu ik erop let, merk ik dat hij gelijk heeft. Ik slik vanaf nu veel ‘maren’ in.

Maar – ja, sorry, moest nog even – wat een besmetting lijkt dit: het nadenkwoord ‘uh’. Hoe vaak dat niet gebruikt wordt! Ik hoor geen zin waarin geen ‘uh’ voorkomt. Het is zelfs zo erg dat het middenin een woord gepropt moet worden, zonder enige…uh aarze…uh…ling. Alsof ze het complete woord vergeten zijn. Ik ben erop gaan letten en dan wordt het pas leuk. Er zijn een paar echte uh-toppers, vooral in de politiek. Ik heb nog nooit zó goed geluisterd, en nog nooit zó veel lol gehad om hun uitspraken. ‘Uh’ of ‘zeg maar’. Gebruikt iedereen dezelfde stopwoordjes of zijn ze sterk persoonsgebonden? Of heb jij misschien een hele speciale?